1. Home
  2. Docs
  3. Reader de Tuinders
  4. Moestuincursus XL

Moestuincursus XL

Iedereen een beetje boer!

Auteur: Rik Binnendijk
Geredigeerd door: Dirk Krijgsman
Beeldmateriaal: de Tuinders en Wietske Koot
In samenwerking met: Utrecht Natuurlijk

 

Inhoudsopgave

Navigeer makkelijk door de inhoud door gebruik te maken van onderstaande menu.

 

 

 1. Bodem (waar ben ik)

Misschien kan jij je het nog herinneren van de middelbare school? De aardrijkskunde lessen waarin werd verteld hoe de Nederlandse bodem is gevormd. Hoe in de ijstijd de oprukkende gletsjers de Utrechtse Heuvelrug hebben gevormd. Dat Nederland een grote rivierdelta is en daarmee rijk aan rivierklei en zand is. Hoe de Nederlandse veengebieden zijn ontstaan en vervolgens zijn afgegraven voor turf (brandstof) waardoor we nu de grote plassen hebben. En vergeet niet de zeeklei langs de kust, het löss in Limburg en nog veel meer.

In de aardlagen zie je de geschiedenis van ons landschap. Eerst gevormd door natuurlijke processen en uiteindelijk door de mens. In Nederland zijn wij er uitzonderlijk goed in dat proces te beheersen en naar onze hand te zetten. Denk daarbij aan de Flevopolder (landwinning), de Deltawerken (bescherming tegen overstromingen) en de afsluitdijk (van zoute zee naar zoetwatermeer) Al deze natuurlijke processen en menselijke prestaties verdienen en hebben hun eigen boek.

Maar wat betekent dit nou allemaal voor onze moestuin? Laten we het even plat slaan.

In dit hoofdstuk gaan we het hebben over Zand en Klei, Organische materiaal en bodemleven om een beeld te scheppen bij de vragen:
Hoe voedt de bodem onze planten?
Hoe kunnen wij de bodem gezond houden?

1.2 Zand en klei

Structuur

De bodem bestaat voor zo’n 50% uit vaste materialen, bestaande uit mineralen en organisch materiaal. Tussen al dit vaste materiaal zitten kleine holten die op hun beurt weer worden gevuld met water en lucht.

Als we het hebben over mineralen dan hebben we het over grind, zand, leem en klei. De verschillende namen hebben eigenlijk weinig te maken met wat het is, maar meer met hoe groot het is.

  • Grind is groter dan 2mm,
  • zand zit tussen de 0,05 en 2mm,
  • leem zit tussen de 0,002 en 0,05mm,
  • en klei deeltjes zijn kleiner dan 0,002mm

Deze minerale bestanddelen zijn in feite hele kleine stukjes steen, door de eeuwen verweerd, fijngemalen en verplaatst door de elementen.

De samenstelling hiervan bepaald bepaald de naam van het bodem type. Zit er overwegend zand in is het een zandbodem, overwegend leem noemen we het leemgrond. En als het een beetje half half is wordt het zanderige leem of leemzand genoemd.

Daarnaast hebben de verschillende samenstellingen ook verschillende eigenschappen. Als je water op een bak grind giet, stroomt het er van onder gelijk weer uit. Maar hoe kleiner de deeltjes des te beter kunnen ze voedingsstoffen en water vasthouden. Daarom worden kleigronden (zoals in de Flevopolder) geprijsd als uitstekende landbouwgrond, maar zo simpel is het niet. Organische stof speelt ook een grote rol ondanks zijn kleine percentage van het geheel.

1.3 Organisch materiaal

De kringloop van het leven.

Organisch materiaal komt van afgestorven planten en dieren en wordt over honderden jaren op natuurlijke wijze opgebouwd. De gevallen bladeren in de herfst, het muisje dat tragisch is overleden. Het komt allemaal weer terug in de aarde, het vergaat, wordt opgegeten, uitgepoept of afgebroken om uiteindelijk op een manier weer terug te komen.

In de natuur wordt het organische materiaal constant aangevuld en dat is heel goed want organisch materiaal wordt ook constant afgebroken. Het wordt door macro organismen zoals wormen steeds kleiner gemaakt, verder door schimmels en micro organismen opgegeten en afgebroken tot de moleculaire bouwstenen. Door natuurlijke scheikundige processen ondergaan deze moleculaire bouwstenen transformaties. Het reageert met zuurstof (oxideren), elementen lossen op bij bepaalde zuurtegraad (PH), andere reageren met elkaar en veranderen van vaste vorm naar een gas. (o.a. stikstofverbindingen hebben de neiging dit te doen).

Om het echt te begrijpen is een studie op zich waard. Het belangrijkste voor ons is om te realiseren dat deze interactie tussen de elementen en miljarden (ononderzochten) soorten micro organisme zorgt voor aan het creëren en recyclen van voedingsstoffen voor de plant. Organisch materiaal voedt het bodemleven, bodemleven creëert de voedingsstoffen voor planten, en planten leveren weer organische stof. Zo leeft het bovengrondse en het ondergrondse in symbiose met elkaar.

Naast het bodemleven voeden, doet organisch materiaal nog veel meer in de bodem:

  • bevordert de structuur van de bodem, door als een lijm bodemdeeltjes aan elkaar te verbinden tot grotere structuren;
  • versterkt het vochtvasthoudende vermogen van de bodem;
  • bevat een enorme voorraad aan voedingsstoffen;
  • levert, bij goed beheer, een constante stroom van voedingsstoffen aan.
1.4 Bodem als substraat of ecosysteem?

We vragen veel van de bodem namelijk alle voedingsstoffen om onze groenten goed te laten groeien. En groenten vragen veel voedingsstoffen, zeker planten als kolen, tomaten pompoenen. Vervolgens nemen we die groenten mee naar huis, eten het op, gaan we naar de WC en dan? De voedingsstoffen die in ons eten zitten gaan niet meer terug naar onze tuin, die zijn door de WC gespoeld. Hiermee exporteren we voedingsstoffen van onze tuin. Als we niks teruggeven zal over tijd de nutriënten in de bodem opraken, daarom moeten wij de aan- en afvoer van nutriënten in de gaten houden. En daar zijn verschillende perspectieven op.

Als voorbeeld versimpelen we het tot twee extremen:

  • De bodem als een substraat met voedingsstoffen.
  • De bodem als een natuurlijk ecosysteem

Bij de bodem als substraat met voedingsstoffen kan je denken aan de hightech landbouwkassen. Veel tomaten worden daar niet in de aarde geteeld, maar op een substraat van glaswol waar water met afgemeten voedingsstoffen doorheen stroomt, precies afgemeten op de behoefte van de tomatenplant. Er is geen sprake van symbiose tussen plant en bodem, maar tussen plant en mens.

Het grote voordeel hiervan is dat het een goed meetbare manier van werken is. We bieden de planten deze voedingsstoffen aan, in deze hoeveelheden, met deze verhoudingen en we krijgen zoveel kilo oogst.

Een totaal onnatuurlijke manier van werken, Het vereist heel veel menselijke input om de plant van voedingsstoffen te voorzien. Maar qua oogst is het voorspelbaar en goed bij te sturen.

Met de bodem als ecosysteem kan je denken aan een voedselbos als uiterst voorbeeld. Veel verschillende planten, een bodem die niet geploegd of omgewoeld wordt, waar het met minimaal menselijk ingrijpen allerlei vruchten en gewassen groeien.

Het grote voordeel hiervan komt met het imiteren van natuurlijke diversiteit. Met de input van veel en divers organisch materiaal kan het bodemleven zich voeden en op zijn beurt weer de plant voeden. Dankzij de symbiose tussen boven- en ondergronds is het een veerkrachtig systeem.

Het is een zeer natuurlijke manier van werken, het heeft weinig input nodig om de plant van voedingsstoffen te voorzien, de oogst is divers, maar niet goed voorspelbaar.

Tussen deze twee extremen liggen onze opties voor onze moestuin. Met allerlei technieken om die bodem te bewerken en manieren om voedingsstoffen (terug) te geven aan de bodem.

1.5 Bodembeheer

De bodem levert voedingsstoffen aan planten. Om die voedingsstoffen te krijgen moet een plant wortelen. Daarvoor is het fijn als de bodem mooi los is. Over de jaren zijn we van alles met die bodem gaan doen om onze groenten er beter op te laten groeien.

We zijn gaan spitten en ploegen en ook steeds dieper. Hiermee komt er meer lucht in de bodem, breekt organisch materiaal sneller af en komen er meer voedingsstoffen vrij voor de planten. Ook kan de plant wat makkelijker wortelen in de losgebroken aarde is de gedachten.

We zijn gaan bemesten. Met dierlijke mest, dit is een mengsel van allerlei voedingsstoffen. Waarvan de kwaliteit enorm kan verschillen afhankelijk van wat voor dier het is (kip, varken of koe), wat het heeft gegeten (gras of soya) en of de mest met bijvoorbeeld stro is gemengd (vaste mest) of in een beerput is opgeslagen samen met de urine (vloeibare gier).

Uiteindelijk zijn we na de tweede wereldoorlog ook steeds meer kunstmest gaan gebruiken. Pure stikstof korrels, naast dat stikstof één van de primaire voedingsstoffen voor de plant is, helpt het ook organische stof afbreken waarmee nog meer voedingsstoffen vrijkomen. Exact, meetbaar, 400 kilo stikstof per hectare. Doe daar nog een paar ton kalk bij en een paar tientallen kilo’s fosfaat en het wil wel.

De oogsten schoten omhoog, hongersnoden kwamen in Europa niet meer voor. Met de technologische vooruitgang die in de oorlog was geboekt kwamen steeds grotere machines die sneller en meer werk verrichtte. Boerderijen werden steeds grotere agrarische bedrijven, mono culturen werden handig en praktisch, helemaal met de komst van bestrijdingsmiddelen als pesticide (insecten), herbicide (onkruid) en fungicide (schimmels).

Ineens was er voedsel voor iedereen.

De Groene Revolutie.

Maar het kan geen feest blijven, ergens is de balans is zoek geraakt. Met de Groene revolutie werd de bodem steeds meer gezien als een substraat met voedingstoffen, geven en nemen. Maar ondertussen worden de nadelen van de ”excessieve groene revolutie methodes” steeds duidelijker.

Bodem uitputting, bodem erosie, uitspoeling van voedingsstoffen en een oprukkende woestijn, het zijn allemaal tekenen van een bodem waar te veel van wordt gevraagd en niet goed voor wordt gezorgd.

Zoals je misschien al merkt neigen we in deze uitleg meer naar de ecologische kant, de bodem als ecosysteem. Maar tegelijkertijd willen we wel een overzichtelijke tuin met een voorspelbare opbrengst. We gaan opzoek naar een balans tussen geven en nemen of beter gezegd aanbieden en vragen waarbij we de rol en het welzijn van het bodemleven centraal stellen.

1.6 Bodemverzorging

Het bodemleven als bron van vruchtbaarheid.

Als contrast spreken we van bodembeheer en bodemverzorging. We gaan ons proberen in te leven in de micro organisme, schimmels en de wormen. Die daar in de bodem rustig hun gang gaan. De wormen graven hun gangen en trekken organisch materiaal de bodem in om het op een later moment rustig op te eten. Schimmels groeien en maken een web aan schimmeldraden door de bodem op zoek naar organisch materiaal om op te eten en in kleinere stukken te breken. Micro-organismen leven hun leven, met miljarden in een kubieke centimeter. Stel je deze ondergrondse wereld eens voor.

En ineens wordt alles anders. Onder is plots boven, wormen gangen storten in, schimmeldraden worden massaal aan stukken gescheurd. Eerst leefde je als micro-organisme in de bovenste cm van de aarde nu ineens 30cm diep. Alsof een aardbeving, een aardverschuiving en een tsunamie allemaal tegelijkertijd zijn gebeurd. Het bodemleven is letterlijk compleet overhoop gegooid.

Als we ons op deze manier inleven in het bodemleven, beseffen we ons dat spitten en ploegen een hoop schade veroorzaakt. Het is een van de redenen waarom we dit afraden om dit grootschalig en stelselmatig te doen.

Pure stikstof korrels kalk en fosfaat klinkt niet echt als een gezond uitgebalanceerd dieet. Het komt zelfs nogal eenzijdig over. Daarom bieden we met compost een uitgebreid buffet van verschillend organisch materiaal aan, voor ieder wat wils. Net als in het bos brengen we het nieuwe organisch materiaal gewoon bovenop de aarde aan. Door dit stelselmatig te doen brengen wij iedere keer nieuwe voedingsstoffen in ruwe vorm aan waarmee het bodemleven zijn gang kan gaan.

Als laatst houden we de bodem zoveel mogelijk bedekt. Een kale bodem is niet beschermd tegen weer en wind. Regen spoelt aarde weg, de dikke druppels slaan de aarde dicht. Wind blaast droge aarde als stof weg. UV-straling van de zon maakt het bodemleven moeilijk. Door de aarde te bedekken met levende planten of mulch (organische materiaal zoals gedroogde herfstbladeren) beschermen we de grond tegen weersinvloeden.

Drie stappen voor een gezonde bodem:

  1. Zo min mogelijke spitten en ploegen in de bodem.
  2. Bied nieuw divers organisch materiaal aan door middel van compost.
  3. Houd de bodem zoveel mogelijk bedekt om haar te beschermen tegen weersinvloeden.

Bied het bodemleven aan wat het nodig heeft: rust, voeding en bescherming en je zal versteld staan wat je er allemaal voor terug zult krijgen.

Uiteindelijk is dit verhaal een zeer simplistische weergave van hoe de bodem werkt vanuit een ecologisch, empathisch perspectief. Zoals de Engelse het zo treffend zeggen; We only scratched the surface, maar voor nu laten we de bodem met rust.

 

2. Kijken naar planten

Het is moeilijk om uit te leggen hoe je naar planten kan kijken.

Wat het ene jaar mislukt kan het andere jaar een fantastische oogst opleveren.

Je herinnert je hoe het vorig jaar ging en kan dan zeggen of dit jaar beter gaat. Misschien kom je problemen tegen waar je vorig jaar helemaal geen last van had. Uiteindelijk zal het met ervaring makkelijker worden.

Soms kunnen we er niks aan doen, gaat het gewoon allemaal mis. een stevige nachtvorst laat in april kan een hoop schade aanrichten, een lokale hagelbui die je sla kapot slaat. Het gebeurt en is niet altijd te voorkomen.

Andere dingen hebben we wel in de hand, mits we de problemen op tijd zien. Als we zien dat een plantje water nodig heeft voordat het verdort. Door te leren hoe een plant zich ontwikkelt, waar het behoefte aan heeft en waar zijn kwetsbaarheden zitten, zal hierbij helpen. Dan weten we wanneer een plant kwetsbaar is en extra verzorging nodig heeft en wanneer het wel tegen een stootje kan.

Kijken naar planten is de manier om de teelt goed in je vingers te krijgen. Elke keer zie je weer iets nieuws, valt je een nieuw detail op.

2.1 De ontwikkelingscyclus

In de moestuin gaan we planten verzorgen, grootbrengen en oogsten. We zullen ze zien als een zaadje, een baby plantje, het zal groeien, zich laten zien aan de wereld, van kind naar geslachtsrijpe puber om zich uiteindelijk tot een zelfstandige prachtige volwassen plant ontwikkelen.

Als je denkt wauw wat een mooie bloemkool, dan oogsten we die en eten het met liefde op.

Dat is het ding met groenten. We oogsten groenten als ze op zijn mooist zijn.

We gaan nu kort de ontwikkeling van een plant doorlopen om daarmee uiteindelijk een gevoel te krijgen vanaf wanneer we verschillende groenten kunnen verwachten.

2.1.1 Zaad

We beginnen bij de plant als zaad, in deze vorm kan de plant jaren geduldig wachten tot de juiste omstandigheden zich aanbieden. Hoewel de kiemkracht van het zaad wel achteruit gaat met de jaren. Voor het succes van de moestuin is het daarom verstandig om niet te oud zaad te gebruiken. Als je wel oud zaad wilt gebruiken, houd dan rekening met een mindere opkomst door meer te zaaien.

2.1.2 Kiemplant

Als het zaad ontkiemt, komt er uit het zaadje eerst een worteltje snel gevolgd door twee kiemblaadjes. Vaak zijn die een beetje hartvormig. De energie en benodigdheden voor deze eerste stappen zitten al in het zaadje. Hierna staat het plantje er alleen voor. Met nog maar een kleine wortel en kiemblaadjes is het plantje in de meest kwetsbare fase van zijn leven. In het geval van onkruid is dit het moment om te schoffelen (zie hoofdstuk 4).

2.1.3 Wortel

Het wortelgestel ontwikkelt zich. Het gaat dieper de grond in en verkleint het risico op uitdroging. De wortels worden vaak vergeten omdat ze niet zichtbaar zijn, hoewel hun nut buiten kijf staat. De dikke wortels verankeren de plant en de dunne haarfijne wortels nemen water en voedingsstoffen op. Via de wortels gaat de plant zijn interactie aan met het bodemleven. De plant biedt suikers aan via zijn wortels en stimuleert daarmee micro organisme en schimmels om voedingsstoffen beschikbaar te maken.

2.1.4 Stengel en blad (vegetatieve groei)

De plant groeit verder en door de stengel stromen de sappen naar alle delen van de plant. Aan de stengel zitten knoppen vaak in de oksels en aan het eindpunt, vanuit hier groeit de plant verder. Met meer blad wordt ook meer zonlicht in energie omgezet. Door middel van huidmondjes ademt de plant. Het kan zijn temperatuur enigszins beheren door te zweten. Als de plant meer vocht verdampt dan het kan opnemen, stopt dit proces.

2.1.5 Bloem (generatieve groei)

Met het komen van de bloemen komt de plant in de pubertijd, het wordt geslachtsrijp en kan zich gaan voortplanten. Net als onze tieners willen ze dit erg graag en stoppen ze er dan ook veel tijd en energie in. De aandacht van de ontwikkeling verschuift van blad (vegetatieve groei) naar bloem (generatieve groei).

2.1.6 Vrucht

Met hulp van insecten of de wind komt het stuifmeel van de mannelijke bloemen in contact met de stamper, het vrouwelijke voortplantingsorgaan. Het stuifmeel gaat door de stijl die de stamper en het vruchtbeginsel verbindt om uit te komen bij de zaadknop waarin de eicel zich bevindt. Nu de plant ”zwanger” is veranderd er veel in de hormoonhuishouding. De bloem is bevrucht en het vruchtbeginsel groeit uit tot een vrucht met als doel de zaden te beschermen en helpen te verspreiden. Hoe aantrekkelijker de vrucht, des te vaker die door dieren wordt opgegeten. De dieren poepen een tijdje later het zaad weer uit en op deze manier verspreidt het zaad zich.

2.1.7 Ontwikkelingscyclus

De plant vult het zaad met voedingsstoffen, deze reserves moeten genoeg zijn totdat het kiemplantje voor zichzelf kan zorgen. Ze bevatten veel voedingsstoffen en relatief weinig vocht 5-15%. Hiermee is het minder kwetsbaar voor vorst en kan het de winter afwachten tot het voorjaar.

Met de ontwikkelingscyclus in gedachte kan je een idee vormen bij hoelang het duurt voordat we een plant kunnen oogsten. En dat hangt af wat we van de plant willen. Willen we kiemgroenten, (losse) blaadjes, (sla) kroppen, bloemen, vruchten of zaden? Bij elke stap moet de plant iets verder ontwikkeld zijn voordat we kunnen oogsten.

  • Kiemgroenten zoals tauge of tuinkers gaan heel snel.
  • Vervolgens kan je denken aan losse bladgroenten zoals spinazie, rucola en raapstelen.
  • Kroppen en lekkere bleekselderij stengels duren langer dan de losse blaadjes,
  • Voor bloemen en vruchten is verdere ontwikkeling nodig en ook meer energie en zonlicht. Over het algemeen kunnen we ze dus eerder in de zomer verwachten dan in het voorjaar. Als de langere dagen genoeg zonneschijn brengen om alle suikers te produceren voor een aantrekkelijke vrucht. Artisjokken, bloemkool, broccoli als bloem (in ontwikkeling) en vruchtgewassen als sperziebonen, snijbonen, tomaten, courgette, pompoen, komkommers.
  • Als laatste stadium rijpt het zaad af en krijgt het alle voedingsstoffen in geconcentreerde vorm mee om de winter te overleven en in het voorjaar weer uit te lopen. Hierdoor is het vaak zeer voedzaam eten, denk hierbij aan granen en noten.

Uiteraard zijn er genoeg uitzondering. Als we bijvoorbeeld goed naar een rode kool kijken, is het alleen blad wat zich ontwikkeld heeft tot een dichte zware krop. Volgens het bovenstaande verhaal zou die vrij snel kunnen groeien. Het is inderdaad een krop, maar wel van 1 tot 1,5 kilo, niet te vergelijken eigenlijk met een kropje sla van een paar ons.

2.2 Eenjarig, tweejarig en meerjarig.

Sommige planten doorlopen bovenstaande cyclus in één jaar en sterven dan af, andere bereiden zich eerst voor en maken dan in het tweede jaar zaad en sterven vervolgens ook af (tweejarig). Bomen en struiken zijn weer voorbeelden van meerjarig die doorlopen de cyclus elk jaar, maar zonder af te sterven.

De meeste groenten die we eten zijn éénjarige gewassen en hoewel er ook tweejarige planten zijn in de moestuin, oogsten we die vaak in het eerste jaar al. Denk hierbij bijvoorbeeld aan boerenkool, die kan de hele winter op het land staan om in het voorjaar te gaan bloeien, alleen hebben we hem dan meestal al opgegeten.

2.3 Planten stress

Als planten het moeilijk hebben noemen we dat stress. Een beetje stress kunnen ze wel hebben, maar bij veel of vaak stress gaan planten er toch op reageren. We gaan nu een aantal verschillende stressfactoren langs, hoe de plant erop kan reageren en waarmee we de plant eventueel kunnen helpen.

2.3.1 Ruimte stress

Lichtconcurrentie en strekking

Als planten te weinig licht krijgen, gaan ze sneller de hoogte in groeien om zo boven hun concurrent uit te stijgen en genoeg licht te krijgen. Dit gebeurt vaak bij pas opgekweekte planten. Als ze te lang samen in een bak staan te wachten om uitgeplant te worden. Het kan zijn dat planten te dicht op elkaar zijn gezaaid of dat er zoveel onkruid om heen groeit dat ze gaan concurreren om licht.

Wanneer de planten dicht op elkaar staan, kunnen ze op elkaar leunen en steunen. Hierdoor hoeven ze minder in stevigheid te investeren en kunnen ze sneller de hoogte in groeien. Strekking noemen we dit.

Het probleem hiermee is dat de plant wel lang is maar niet goed op zichzelf kan staan. Lang en slungelig. Zodra we de planten meer ruimte geven verliezen ze de steun en vallen ze om.

achteraf kunnen we er weinig meer aan doen behalve hopen dat de plant weer op weet te krabbelen. Het is daarom belangrijk hier op tijd bij te zijn, voordat het kwaad is geschied..

Kijk naar

strekking

staat de plant op zichzelf of steunt het op zijn buren?

Let op

plekken waar veel planten die dicht op elkaar staan
let op plantafstanden

Controleer

opkweek

Actie

geef de planten tijdig genoeg ruimte

zet potjes verder uit elkaar

wees op tijd met onkruid weghalen

2.3.2 Temperatuur stress

Doorschieten

Bij temperatuur stress kan je denken aan die warme paar dagen in het voorjaar waarin het overdag heerlijk 20+ graden is en ‘s nachts gewoon weer afkoelt tot 4 graden. Dat grote temperatuurverschil brengt planten in de war.

Als de temperatuurverschillen tussen dag en nacht buiten al groot zijn, zijn die extra groot in de glazen kas. Hierin loopt de temperatuur sneller en hoger op dan buiten, maar koelt ‘s avonds gewoon weer af. Kassen zijn over het algemeen van enkelglas en de isolatiewaarde is nihil. Het is daarom van belang op dit soort dagen je kas al vroeg open te zetten waardoor de temperatuur niet te snel en hoog oploopt en we stress beperken.

Doorschieten

Vooral bladgewassen als spinazie en raapstelen kunnen stress ondervinden van deze grote temperatuurverschillen. Ze kunnen in die situatie in bloei schieten en zaad maken.

Doorschieten noemen we dat. In plaats van lekkere spinazie blaadjes maken (vegetatieve groei), gaat de plant zich focussen op bloemen en zaad maken (generatieve groei).

Bij vruchtgewassen kan het ook zijn dat de plant, wat ons betrefd, te vroeg bloemen wil gaan maken. Om beter en meer bloemen en vruchten te kunnen dragen, kan de plant zich beter eerst vegetatief meer ontwikkelen.

Kijk naar

doorschieten van bladgewassen

te vroeg generatief ontwikkelen

Let op

grote temperatuurverschillen

warme dagen, koude nachten

Controleer

bladgewassen

kas

Actie

haal de oogst binnen voordat het massaal gaat doorschieten

vroeg de kas openzetten en luchten

bij vruchtgewassen de te vroege bloemen eruit breken

2.3.3 Waterstress

Bij waterstress kan je denken aan die droge, hete, lange zomerse dagen. De plant verdampt op zulke dagen sneller water dan het kan opnemen. Als reactie sluit de plant de huidmondjes en voorkomt zo dat het te hard uitdroogt.

De bladeren gaan er slap en futloos bijhangen. De fotosynthese wordt minder.

Dit hoeft geen probleem te zijn als de plant al groot en diep geworteld is en er voldoende water in de bodem zit. In dat geval trekt de plant zichzelf weer op als het ‘s avonds begint af te koelen. De volgende ochtend staat het er weer fris bij voor een nieuwe dag.

De bodem droogt verder uit als het warm blijft en er dagen, weken nauwelijks regen valt. De plant kan ‘s avonds niet meer herstellen.

De stress wordt nu chronisch. De gezondheid van de plant gaat achteruit en de groei blijft achter.

Zo’n periode van droogte kan funest zijn voor een plantje dat net is ontkiemd en nog niet goed geworteld is.

Kijk naar

futloos slap hangend blad

Let op

periode met weinig tot geen regen (ook in het voorjaar)

veel warme dagen

hittegolven

.

Controleer

is de plant goed geworteld?

is de bodem nog vochtig?

extra aandacht voor jonge/kleine planten

Actie

tijdig water geven, het liefst voordat stress chronisch wordt.

2.3.4 Watergeven

Water geven wordt vaak als een uitdaging gezien. Niet te veel, zeker niet te weinig. Wat doet het weer? Liever ‘s avonds dan overdag? En hoe kunnen we bewust omgaan met water? Uiteindelijk komt water geven neer op kijken naar planten, het voelen van de aarde. Maar eerst het weerbericht.

Het weerbericht

Regen wordt als de hel gezien, je zal er maar door overvallen worden! De icoontjes die erbij staan doen vermoeden dat het bar en boos wordt. De kleinste miezerbui wordt tegenwoordig groots aangegeven op onze weerapps. Gelukkig zetten ze er ook nog de kans op regen erbij (45%) en hoeveel ze verwachten (0,3mm per uur). Wat zegt dit nu eigenlijk?

1mm regen per uur staat gelijk aan 1L water per uur, per vierkante meter.

Dus als het een uur regent met 0.3mm per uur, houdt dat in dat er 0.3L op elke vierkante meter is beland.

Of te wel 1 blikje frisdrank leeggegoten gedurende 1 uur over 1m2

Als het maar een kwartier regent is dat dus maar een kwart van een blikje. .

Het heeft dan wel ‘’geregend’’ maar heel weinig. Daarnaast bestaat de kans dat het ergens anders heeft geregend en niet boven onze tuin. Alleen op het weerbericht kunnen we niet vertrouwen.

Voel de aarde

Hoe vochtig is de grond?

Het antwoord is bedrieglijk simpel: Steek je vinger in de grond!

Vaak kom je er dan achter dat de bovenste cm misschien is uitgedroogd, maar daaronder is het nog mooi vochtig. Het gewas is goed geworteld en staat er nog fris bij, geen probleem.

Wel letten we op de jonge pas geplante of gezaaide plantjes, die zijn nog niet diep geworteld en kunnen dus wel een slok gebruiken.

Neem een handje aarde van de eerste paar cm, knijp er in, behoud het zijn vorm?

Doe dit elke keer als je op de tuin bent en je ontwikkelt er vanzelf een gevoel voor.

Andersom kan natuurlijk ook. Dat de bovenkant er nat uit ziet, maar dat een centimeter dieper de grond hartstikke droog is. Om deze valkuil te vermijden moet je dus niet alleen kijken, maar vooral voelen.

We gaan nu merken dat het bodemtype en het vochtvasthoudende vermogen daarvan een rol gaan spelen. Zand kan moeilijk water vasthouden. Denk aan die grindbak of aan de woestijn. Klei kan water een stuk beter vasthouden (de Flevopolder) en organisch materiaal houdt vocht vast als een spons (veengebieden).

Van zandgrond kleigrond maken gaat niet, maar we kunnen wel het vochtvasthoudende vermogen vergroten met organisch materiaal (compost, zie hoofdstuk over de bodem). Door goed voor de bodem te zorgen kunnen we het vochtvasthoudende vermogen vergroten.

Hoeveel water moeten we geven?

Daar zijn verschillende opvattingen over, namelijk:

  • Veel in een keer en niet zo vaak.
  • Vaker en niet zoveel.

Veel in een keer en niet zo vaak

Als je een bodem hebt met een goed vochtvasthoudend vermogen kan je er voor kiezen om veel in een keer te geven. De toplaag droogt uit, maar daaronder zit nog genoeg vocht in de bodem. Zeker als de planten al goed zijn geworteld is dit een efficiënte manier van watergeven die door veel akkerbouwers wordt gebruikt. Ze hoeven dan maar immers eens in de zoveel tijd een perceel te beregenen, maar beregenen dan wel gelijk met 30-40mm per 1m². We leggen een buffer aan en als die op begint te raken vullen we hem bij.

Vaker en niet zoveel

Bij bodems met een minder vochtvasthoudend vermogen kan je minder goed een buffer aanleggen. Hierdoor ga je frequenter beregenen en ook minder per keer. Het idee is het vocht in de bodem op peil houden in plaats van een buffer aanleggen.

In een kleine diverse moestuin is deze tactiek het vaakst gebruikt. Grootschalig beregenen zoals de akkerbouw dat op grote velden doet, is in de kleine moestuin een beetje overdreven. Door de diversiteit van de moestuin hebben de verschillende planten, in verschillende stadia, verschillende behoeften. De kleine schaal zorgt er ook voor dat er aandacht kan worden gegeven aan die verschillende behoeften. Toch is het goed om in je achterhoofd te houden dat als je water geeft je wel een paar mm per keer geeft (4-6mm per 1m²). Terugdenkend aan het weerbericht; 0,3mm aan regen hebben we voor onze moestuin niet voldoende aan.

s Avonds of overdag watergeven?

Dit is een vaak gevoerde discussie. Door ‘s avonds water te geven verdampt er minder water en de bodem meer tijd om het water op te nemen. Op hete dagen is het soms ook fijn om planten een klein beetje water te geven. Dit is dan meer voor verkoeling dan echt water geven. Sommige mensen zijn bang dat planten beschadigd raken door overdag water te geven. De waterdruppel zal als lens fungeren en brandpunten op het blad maken. Zelf heb ik dit nog nooit gezien.

Bewust omgaan met water – Droge zomers

Watergeven is een issue tegenwoordig. Met de droge zomers is de afgelopen jaren een probleem ontstaan. Boeren pompen grondwater op en trekken sloten leeg. Het gebruik overtreft de aanvoer. De balans is verdwenen. Decennia was Nederland als rivierdelta erop gefocust om het water af te voeren. Nu moeten we het ineens gaan vasthouden. Op beleidsniveau is het een hoofdbreker. Tientallen jaren aan beleid moeten worden herzien. En de boeren hebben de uitdaging, ook op dit vlak, om hun werkwijze kritische te bekijken.

Gelukkig zijn wij niet met landelijk beleid bezig. Ons inkomen is niet afhankelijk van onze moestuin. Aanpassingen zijn op kleine schaal makkelijker door te voeren. Denk hierbij aan:

  • een regenton om regenwater van daken in opvangen.
  • organische stof in de bodem op peil houden om water vast te houden
  • de grond bedekt houden (mulchen) om verdamping te beperken
  • het gebruik van druppelirrigatie verkennen

 

3. Wie heeft er van mijn plantje gegeten?

Ziekte en plagen

Onze groenten worden ook wel eens opgegeten en dan niet door ons.

  • Muizen en vogels kunnen het zaad pikken wat we net in de grond hebben gestopt
  • Slakken houden van de jonge sappige blaadjes van de planten die net opgekomen zijn
  • Rupsen van vlinders eten hun buikje rond om te kunnen verpoppen.
  • Luizen zuigen de voedingssappen recht uit de plant en belemmeren zo de groei.
  • Schimmels en bodem-aaltjes moeten natuurlijk ook iets eten

Met het lezen van zo’n lijst aan beestjes die ook een graantje willen meepikken maken veel mensen zich zorgen. Het valt wel mee, zeker in een gemengde moestuin. Verschillende beestjes hebben voorkeur voor verschillende planten. Daarnaast zijn er beestjes die beestjes eten. Planten zelf zijn niet helemaal weerloos. Ze hebben ook net als wij een afweermechanisme en een immuunsysteem.

De kernwoorden zijn wederom Biodiversiteit, gezonde Bodem en Balans.

Laten we eerst een algemeen beeld van een plaag schetsen. Daarna twee historische voorbeelden van plagen in Ierland en Amerika waarna de bestrijdingsmiddelen werden uitgevonden. We sluiten dit hoofdstuk af door te bespreken hoe we ziekte en plagen voorkomen in onze eigen moestuin.

3.1 Het recept voor een plaag

Als we kijken naar grote gangbare monoculturen, dan kunnen we bedenken dat er een flink risico op plagen is. Er is weinig biodiversiteit en de bodem krijgt een eenzijdig dieet van kunstmest, duizenden en duizenden vierkante meters met één gewas, alleen bijvoorbeeld aardappel. Je kan je voorstellen dat een dier, insect of schimmel dat verzot is op aardappel hier prima uit de voeten kan. Met zo’n overvloed aan voedsel kan het zich snel voortplanten. Door een gebrek aan diversiteit hoeven ze nauwelijks te concurreren met andere wezens. Door het gebrek aan biodiversiteit is er amper plek voor natuurlijke vijanden om zich te huisvesten. Het wezen dat verzot is op aardappel zal uitgroeien tot een plaag in deze omstandigheden. Er is te weinig kans op een natuurlijk balans.

Als de natuur niet kan corrigeren moet de mens het maar doen en dit gebeurt vaak met gif. Corrigeren door grootschalig te elimineren. Met als gevolg nog minder biodiversiteit, een verder aangetaste bodem en nog minder balans. Een neerwaartse spiraal.

3.2 Een uitstapje naar Ierland en een blikje verf genaamd Paris Green

The Irish potato famine en de Colorado kever

De nadelen van bestrijdingsmiddelen worden steeds duidelijker, waarom doen we het nog steeds? Wat beweegt beleidsmakers om het gebruik van landbouwgif te blijven accepteren? Waarom blijven onderzoekers het als noodzaak zien?

Een stukje geschiedenis:

Op 13 september 1845 werd in Ierland het eerste geval van Phytophthora Infestans in aardappelen gemeld, een schimmelinfectie die misschien beter bekend staat als de aardappelziekte. Een maand later was een kwart tot een derde van de oogst verloren gegaan. Wat dit tot een ware ramp maakte is dat toendertijd 40% van de Ieren aardappelen als ontbijt lunch en diner aten, en dat de rest van de Ieren er ook sterk afhankelijk van waren als basisvoedsel. De jaren daarop werd het probleem alleen maar erger.
Met de komst van de aardappelziekte kwam een gigantische hongersnood, die de bevolking van Ierland halveerde. Met minstens een miljoen slachtoffers is het procentueel gezien een van de grootste hongersnoden in de geschiedenis van de mensheid. In de decennia na de ramp verlieten nog miljoenen mensen het land (veel emigreerde naar de VS) en de bevolking van Ierland bleef terug lopen. In 1960 telde Ierland nog maar half zoveel inwoners als 1840.

Met deze ramp vers in het geheugen schrokken mensen zich dood toen in augustus 1861 een aardappelboer in Kansas, Amerika, werd overvallen door een plaag van kevers, de Colorado kever. De kevers vraten zich door de aardappelvelden heen en de boeren wisten zich er geen raad mee. In de jaren erna verspreidde de kever zich door Amerika en lifte het mee op schepen naar Europa. Niks hielp echt, tot een boer geïrriteerd een blik verf genaamd Paris Green over zijn half opgegeten aardappelplant smeet en de kevers bezweken.

De smaragdgroene verf had zijn kleur te danken aan een arseen-koper verbinding. Als arseen tegen kevers werkt, misschien dan ook tegen andere plagen?! Onderzoekers gingen hier volop mee experimenteren. Een Franse onderzoeker ontdekte rond 1885 dat kopersulfaat met kalk meeldauw, een schimmelziekte op druiven doodt…. Het doodt een schimmelziekte…. Eindelijk was er een antwoord op de aardappelziekte, ook een schimmelziekte!

Een geschenk van de hemel, een antwoord op de grillen van de Natuur, Nieuwe wapens tegen hongersnoden! De moderne bestrijdingsmiddelen industrie was geboren.

Het duurde alleen iets langer voordat de nadelen ook echt duidelijk werden. Het gif taste niet alleen de plaag aan maar ook al het andere leven. Door (on)natuurlijke selectie sterven alle beestjes die niet tegen het gif kunnen, de wezens die het wel overleven dankzij een kleine afwijking in hun genen blijven over. Iedere keer dat er een nieuw gif kwam was er wel een aantal beestjes die er tegen kunnen. Die planten zich vervolgens massaal voort als alleenheerser in een zee van voedsel. Zo blijven de plagen komen en sporen ze de bestrijdingsmiddelen industrie aan steeds nieuwe (chemische) bestrijdingsmiddelen te ontwikkelen en te verkopen.

De angst voor hongersnoden en het vermogen van de natuur zich aan te passen helpt deze vicieuze cirkel gaande te houden. Maar goed, terug naar onze moestuin. Een tuin waarmee we niet de verantwoordelijkheid hebben om de wereld te voeden.

3.3 Omgaan met ziekte en plagen in onze eigen Moestuin

We hebben het net gehad over grote monoculturen, het voeden van de wereld en de angst voor hongersnoden. Het voeden van de wereld ligt niet op onze schouders. Van grote mislukkingen in onze eigen moestuin gaat niemand dood. Wij hebben alle ruimte om op zoek te gaan naar een balans tussen geven en nemen.

3.3.1 Biodiversiteit

Met behulp van een uitbundige biodiversiteit geven we ruimte aan veel verschillende wezens in plaats van veel ruimte voor één enkel soort. We creëren schuilplekken voor allerlei beestjes om zich te huisvesten met insectenhotels en ‘’verwilderde’’ hoekjes in onze tuinen. Door plek voor vele soorten te maken, voorkomen we dat één enkel soort zal uitgroeien tot een plaag.

3.3.2 Gezonde bodem

Door goed voor onze bodem te zorgen, bieden we onze planten een uitgebalanceerd dieet. Hiermee kunnen ze groeien tot gezonde, weerbare planten die kunnen omgaan met ziekte. Gezondheid is niet de afwezigheid van ziekte, maar het vermogen er mee om te gaan.

3.3.3 Balans

Door veel verschillende soorten groenten te verbouwen, gokken we als het ware op meerdere paarden. Sommige dingen mogen mislukken. Een iets lelijker kropje sla maakt niet uit, we hoeven het niet in de supermarkt te verkopen. En als een beestje onze plant dan opeet is dat ook geen ramp. We zoeken een balans tussen geven en nemen.

3.3.4 Blijf nieuwsgierig

Laten we kijken en ons verdiepen in deze beestjes en ons afvragen: wie heeft er van mijn plantje gegeten? Wat eten ze? Hoe planten ze zich voort? Hoe overleven ze de winter?

Door te signaleren en je te verdiepen in de plaag leer je wanneer er veel risico is en hoe we het risico op een plaag kunnen verkleinen.

Zo kan je het slakken moeilijk maken door je tuin netjes te houden door afstervend blad te verwijderen. Als opruimers van de natuur worden ze aangetrokken door afstervend blad en plantenresten.

Luizen overwinteren op bepaalde planten (waardplanten), zoals koolplanten. Door die op te ruimen voor de winter maak je het moeilijker voor de luizen om de winter goed door te komen op je tuin.

Het koolwitje is een vlinder die zijn eitjes legt op koolplanten, waarna de rupsen je kolen opeet. Deze is actief van eind april t/m eind september. Het koolwitje heeft zo’n drie generaties per jaar, met populatie pieken in midden tot eind mei en van half juli tot half augustus.

Door nieuwsgierig te blijven en vragen te stellen kunnen we op een natuurvriendelijke manier leren plagen te voorkomen.

Welke technieken kunnen we toepassen om onze planten en oogst te beschermen?

3.3.5 Teeltbescherming

Met een net of doek kunnen we letterlijke een barrière opwerpen tussen onze groenten en de beestjes die ervan willen eten.

Denk daarbij aan:

  • een net over de bessenstruik tegen de vogels.
  • een fijnmazig net over de kool tegen vlinders die eitjes erop willen leggen en daarmee rupsen.
  • Een insectengaas over de Wortel om de schade van de wortelvlieg die zijn eitjes legt in wortel waarna de larve zich door de wortel gaat eten.
3.3.6 Natuurlijke Vijanden

We kunnen erop letten dat er plek is voor natuurlijke vijanden.

Denk daarbij aan:

  • Katten en roofvogels tegen de muizen.
  • Egels, eenden, vogels, spitsmuizen, kikkers en padden tegen slakken.
  • Lieveheersbeestjes tegen luizen.

Een spannende vraag: grijpt de natuurlijk vijand in voordat de schade te erg wordt? Eerst moet het eten er zijn en dan pas komt de natuurlijke vijand. Naarmate er bijvoorbeeld meer luizen komen, verschijnen er ook meer lieveheersbeestjes. Het is een fascinerende wedstrijd. Halen de lieveheersbeestjes de luizen in?

Tegenwoordig kan je veel nuttige insecten kopen in zakjes. Deze worden veel gebruikt in de glastuinbouw. In een afgesloten omgeving veel natuurlijke vijanden uitzetten, heeft de vraag naar pesticide in de glastuinbouw enorm doen verminderen.

3.3.7 Schimmelziektes

De meeste schimmels zijn goedaardig en helpen in de natuur grote dingen af- en open te breken. Hierdoor kunnen kleinere beestjes het weer verder afbreken en zo worden de voedingsstoffen gerecycled. Voor sommige schimmels moeten we wel opletten, denk hierbij aan:

  • Meeldauw
  • Valse meeldauw
  • Phytophthora (de aardappelziekte, gevreesd door de hele nachtschadefamilie inclusief tomaten)

Schimmel helemaal voorkomen kunnen we niet. We kunnen wel de plant helpen. Een gezonde plant, in een gezonde bodem is minder kwetsbaar voor schimmelinfecties. Daarnaast kunnen wij de plant helpen door:

  • Luchten. Geef de plant de kans om op te drogen. Schimmels houden van vocht.
  • Besmet blad af te knippen en te verwijderen.
3.3.8 Bodemziektes

Als laatste moeten we waken voor bodemziektes, parasitaire micro organismen of schimmels. Zij leven van de sappen van bepaalde planten door zich in de wortels van planten te boren. Gelukkig hebben de verschillende bodemziektes slechts effect op specifieke planten. Knolvoet (bodemschimmel) bijvoorbeeld tast de brassica familie aan (kolen). Hoe kunnen we hiermee omgaan?

  • Een gezonde bodem met veel biodiversiteit, hiermee brengen we balans met natuurlijke concurrentie.
  • door niet jaar in jaar uit hetzelfde gewas op dezelfde plek te verbouwen, of te wel vruchtwisseling.
3.3.9 Teeltbescherming tegen het weer

Naast dat beestjes soms van onze plantjes eten, moeten we ook onze planten soms beschermen tegen het weer. Een stevige hagelbui in april kan in een keer al onze kroppen sla kapot slaan. Of een late nachtvorst helpt onze baby plantjes om zeep. Om dit risico te beperken kunnen we onze gewassen afdekken met bijvoorbeeld agrocover of vliesdoek.

Waarom helpt afdekken de planten te beschermen?

  • Door af te dekken wordt de impact van hagel of hele dikke regendruppels opgevangen en voorkomt dit een hoop schade aan de jonge blaadjes.
  • Het afdekken helpt tegen nachtvorst doordat we de planten uit de wind houden.
  • De stilstaande lucht onder het doek heeft een isolerende werking, dit maakt kan net die 1-2°C verschil maken tussen wel en niet bevriezen

 

4. Onkruid

Natuur vs Cultuur, Concurrentiekracht en symbiose

Sommige mensen zeggen onkruid bestaat niet. Dat in de natuur alles zijn functie heeft en dat alles nuttig is. En dat is ook zo, in de natuur. Maar onze moestuin is niet natuurlijk ontstaan. Onze moestuin is gecultiveerd, door de mens gemaakt, ingedeeld, onderhouden, met een specifiek doel voor ogen: groenten produceren. De Moestuin is daarmee cultuur en de planten die erin staan zijn geen natuurplanten, maar cultuurplanten.

In de natuur is het survival of the fittest, een constante concurrentiestrijd om water, voedsel, licht en ruimte. Hiervoor hebben natuurplanten allerlei strategieën ontwikkeld om deze concurrentiestrijd te winnen. Daarnaast hebben ze een sterk overlevingsmechanisme ontwikkeld. Sommige maken heel snel heel veel zaden. Andere planten zich voort via de wortels en sommige doen beide. De evolutie van de natuurplant (onkruid) is gestuurd door deze natuurlijke concurrentiestrijd.

De groenten die wij verbouwen zijn Cultuurplanten. Nooit in de natuur zal je ineens een veldje met een kroppen sla zien of boerenkolen en knolselderij langs bosranden tegenkomen. Nee, onze groenten kom je alleen tegen in een gecultiveerde tuin of akker. De wilde varianten zijn door de mens geselecteerd om hun lekkere bladen of knolletje. Vervolgens zijn we die gaan cultiveren. We hebben de lekkerste, de grootste, de mooiste, geselecteerd, het zaad daarvan gewonnen en die weer gezaaid. Doordat we dat consequent hebben gedaan zijn we over de jaren van blaadje sla naar kropsla gegaan.

Om dat goed te kunnen doen, zijn we de geselecteerde planten gaan beschermen. We hebben ze onttrokken aan de concurrentiestrijd. De mens is de concurrentiestrijd voor hem gaan voeren. We halen de andere planten die we niet willen weg (onkruid). We geven ze water en mest (voedingsstoffen). Niks geen concurrentiekracht. Het enige wat de plant hoeft te doen is groter mooier en lekkerder worden. Dat is zijn survival strategie geworden. Als het ware een symbiose met de mens. De plant voedt ons en wij zorgen dat hij de concurrentiestrijd wint, zich (selectief) voortplant en vervolgens verspreid wordt over de wereld. Zonder mens geen kropsla, een echte cultuurplant.

4.2 Onkruiddruk

De hoeveelheid kiemkrachtige zaden in de bodem.

Door het sterke overlevingsmechanisme van onkruid, plant deze zich razendsnel voort. Duizenden, tienduizenden zaden per plant is niet ongewoon. Hierdoor kan het onkruid, zodra het de kans krijgt, zich exponentieel vermeerderen. Ieder jaar zijn er meer concurrenten voor onze cultuurplant. Aangezien wij de concurrentiestrijd voor hem moeten voeren, betekent dat ieder jaar meer werk voor ons. Daarom is het belangrijk om het onkruid bij te houden, om te zorgen dat de onkruiddruk niet boven onze capaciteit uitgroeit. Door een consequente aanpak en goed bodembeheer is het mogelijk om de onkruiddruk zelfs naar beneden te krijgen. Als dat lukt, blijft een consequente aanpak noodzakelijk. Immers is concurreren, overleven en vermeerderen de specialiteit van onkruid.

4.3 Zaad- en wortelonkruid

Nu is er een tweedeling in het onkruid op basis van hun overlevingsmechanisme. Namelijk zaad- en wortelonkruid.

  • Zaadonkruid maakt heel veel zaden en legt daarmee een grote voorraad kiemkrachtige zaden aan in de bodem.
  • Wortelonkruid beschikken vaak over flinke voedingsreserves opgeslagen in de wortel zoals bij de Distel of in oppervlakkige wortelstokken met ondergrondse uitlopers zoals bij Brandnetel.

Door dit verschil vragen ze net een iets andere aanpak, hoewel ze in de basis wel hetzelfde zijn. Simpelweg gezegd blijf ze consequent het leven zuur maken.

Kweekgras: zie hoe hij rechtsonder uitloopt vanuit de wortelstok

4.4 Aanpak

Verwijder het onkruid voordat het zich vermeerdert.

De mens heeft het dus op zich genomen de concurrentiestrijd voor de plant te voeren in ruil voor grotere lekkerdere groenten. Hierdoor hebben onze cultuurplanten dus een zeer lage concurrentiekracht. Het is aan ons om die concurrentiestrijd te voeren. Daarnaast streven we ernaar om de onkruiddruk omlaag te krijgen. Daarvoor geldt één belangrijke regel: verwijder het onkruid voordat het zich vermeerdert.

Daarvoor gaan we verschillende technieken toepassen, namelijk:

  • Mulchen
  • Wortelonkruid uitsteken
  • Schoffelen
  • Wieden
4.4.1 Mulchen

Allereerst beginnen we met mulchen.

Mulchen is het bedekken van de bodem dit kan met organisch materiaal zoals stro en andere plantenresten of met andere materialen zoals karton, grondzeil, etc. Het is een techniek die vele voordelen kent. Zo beschermt het tegen UV-straling, harde regen, uitdroging, koud en bemoeilijkt het de groei van vooral zaadonkruid door het ontnemen van licht. Het is belangrijk om de mulch minimaal drie weken te laten liggen. Het liefst wat langer. Het streven is om de bodem geheel te bedekken. Zo wordt licht tegengehouden, onkruidgroei belemmerd en de (kale) bodem beschermd.

Elk mulch materiaal heeft net iets andere eigenschappen. Als je met stro of houtsnippers wil mulchen heb je een dikke laag van zo’n 10cm dik nodig om echt effectief te zijn. Onbedrukt karton is ook een mogelijkheid. Hier moet je dakpansgewijs minimaal 2 lagen neerleggen. Je kan ook ervoor kiezen om met stevige plastic zeilen te mulchen. Zelf heb ik weleens aluminium golfplaten dakbedekking gebruikt als mulch, puur omdat dat voorhanden was.

Bij de Tuinders hebben we gekozen om te mulchen met hoge kwaliteit landbouwplastic dat is behandeld tegen UV-straling. Zolang we hier netjes mee omgaan gaat het vele jaren mee. Het is makkelijk op te ruimen en te hergebruiken. Uiteraard zijn er een aantal aandachtspunten om te zorgen dat het echt goed werkt en goed blijft.

Aandachtspunten mulchen met landbouwplastic:

  • Maak het bed schoon. Let hierbij vooral op dingen die het plastic kunnen beschadigen zoals rechtop staande stokken en stevige stammen.
  • Leg het plastic strak op de grond en gebruik veel zandzakken om het vast te leggen. We moeten voorkomen dat de wind eronder slaat.
  • Gebruik zandzakken in plaats van stenen. Stenen hebben scherpe randen.
  • Laat het minimaal 3 weken liggen om het echt efficiënt te laten zijn.

Plastic is niet biologisch afbreekbaar en daarom kunnen we bij het gebruik ervan onze vraagtekens stellen. We hebben er toch voor gekozen omdat het erg efficiënt en gebruiksvriendelijk is. Daarnaast hebben we voor een hoge kwaliteit gekozen, zodat we het jarenlang kunnen blijven gebruiken. Plastic is immers een materiaal dat jaren mee kan gaan, mits we er zorgvuldig mee omgaan.

4.4.2 Wortelonkruid uitsteken

Wie niet weg is, is gezien.

Vlak voordat we het bed willen gebruiken, halen we de mulch ervan af. Als we het lang genoeg hebben laten liggen, zien we geen enkel groen sprietje. Wel zien we her en der misvormde witte plantjes. Dit zijn wortelonkruiden die dankzij hun ondergrondse reserves toch nog hebben kunnen uitlopen. Zoekend naar licht zijn ze lang en slungelig gegroeid. Door gebrek aan zonlicht hebben ze nooit chlorofyl (wat groen is) aangemaakt (noodzakelijk voor fotosynthese). Nu zien we precies waar de witte wortelonkruiden staan. De uitgelezen kans om met een schepje de wortelonkruiden uit te steken.

4.4.3 Schoffelen

In de kiem smoren.

Op het juiste moment schoffelen is een feestje. Schoffelen doe je het liefst op een zonnige dag en als het onkruid net is ontkiemd, want dan is het plantje het meest kwetsbaar. Als we op dat moment de schoffel er oppervlakkig doorheen halen, ontwortelen we het pas gekiemde plantje. Op een zonnige dag is de toplaag van de bodem warm en droog. Het kleine pas ontkiemde plantje ligt daar ontworteld in de brandende zon en sterft snel aan uitdroging.

Zouden we in de regen schoffelen is het nauwelijks effectief. De killer is namelijk uitdroging en niet zozeer beschadiging.

Aandachtspunten bij schoffelen:

  • Schoffel het liefst op zonnige dagen
  • Als het onkruid zo klein mogelijk is (net ontkiemd)
  • Schoffel oppervlakkig
  • Schoffel zo vaak als nodig

Pas ontkiemd onkruid tussen de veldsla op een zonnige dag. Het ideale moment om te schoffelen

4.4.4 Wieden

Met wortel en al.

Na het mulchen, uitsteken en schoffelen zal er altijd nog een onkruidplantje het overleven.

Als ze dicht naast onze groenten staan, kunnen we ze gemist hebben met het schoffelen. Nu het onkruid is groot gegroeid is het belangrijk om hem te verwijderen voordat zij gaat bloeien en in zaad schiet. Omdat de plant al groot droogt zij niet zo makkelijk meer uit. De plant zal snel weer wortel schieten en geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid, al zijn resterende energie gebruiken om zich voort te planten. Daarom laten we de plant niet liggen in het bed, maar ruimen we het op. De composthoop is een goede plek daarvoor, mits we zeker weten dat de composthoop goed heet wordt. Alleen dan verliezen de onkruidzaden hun kiemkracht.

Aandachtspunten wieden:

  • Met wortel en al
  • Voordat het in zaad schiet
  • Opruimen
  • Een hete composthoop

 

5. Vruchtwisseling

De manier van vruchtwisseling bepaald grotendeels de outline voor het teeltplan. Over het teeltplan gaan we het later hebben. Eerst gaan we het hebben over de ideeën en methodes met betrekking tot vruchtwisseling.

Vruchtwisseling wordt gebruikt als een preventief middel tegen bodemziektes, maar ook tegen bodemmoeheid. Het is zeker geen vervanging van een gezonde bodem, maar juist een aanvulling op.

Met bodemmoeheid bedoelen we een laag gehalte aan voedingsstoffen. Door jaarlijks veel vragende gewassen op dezelfde plek te telen, zoals bijvoorbeeld kolen of courgetten, trekken we veel voedingsstoffen uit de grond. Door veel te blijven vragen en te weinig rust te geven, eten we de bodem reserves op. Uiteindelijk met bodemmoeheid tot gevolg.

We groeperen onze groentes op verschillende kenmerken waarmee we willen rekening houden met ziektegevoeligheid en voedingsbehoefte. Nu zijn er twee klassieke manieren om onze groenten te groeperen.

  • Op basis van plantenfamilie
    brassica/kruisbloemige, vlinderbloemige, schermbloemige
  • Op basis van wat we van de plant eten
    bladgewassen, bloemgewassen, vruchtgewassen

Er is nog een methode namelijk door juist alles te mixen. Deze methode wordt meer uitgedragen door permacultuur, voedselbossen en op professioneel vlak in de werkmethodes van de Market Gardener uitgedragen door JM Fortier (Canada).

  • Niet groeperen, maar mixen
5.1 Op basis van plantenfamilie

Het idee hierachter is dat bodemziektes specifieke plantenfamilies aantasten. Door de families iedere keer door te schuiven ontneem je de bodemziektes hun voedsel voor een paar jaar. Hierdoor voorkom je dat bodemziektes tot een plaag uitgroeien.

5.2 Op basis van wat we van de plant eten

Een manier van groeperen is op basis van wat we van de plant eten; blad, stengel, wortel, bloem, vrucht of zaad. Het is meer gericht op voedingsbehoefte van de plant. Bladgroenten, zoals sla, is eerder klaar om te oogsten dan een vrucht als pompoen. De voedingsbehoefte van pompoen ligt daarmee veel hoger dan dat van sla. Door veel vragende gewassen en minder vragende gewassen elkaar te laten afwisselen geven we de bodem wat rust na een flinke inspanning en voorkomen we bodemmoeheid.

De akkerbouw

Akkerbouwers specialiseren vaak in een aantal verschillende groenten die ze rouleren over hun percelen. Op deze manier hebben ze een duidelijke en overzichtelijke vruchtwisseling.

Tuinderijen

Tuinderijen die juist veel verschillende groenten verbouwen, maken vaak gebruik van een combinatie van bovenstaande twee manieren. Met als basis de plantenfamilies (zie 5.1) waarbij extra rekening wordt gehouden met veel vragende gewassen als kolen, pompoen, courgette, knolselderij, aardappelen, etc.

5.3 Niet groeperen, maar mixen

Op grote schaal is het moeilijk om met deze methode overzicht te houden. Om deze reden wordt deze methode nog weinig toegepast op professioneel niveau. Hoewel hij erg aan populariteit aan het winnen is. Wageningen Universiteit is bijvoorbeeld nu aan het experimenteren met strokenteelt.

Bij de Tuinders zullen we deze methode gebruik maken. Dit past helemaal bij een gevarieerde en biodiverse tuin.

De basis voor de teeltwissel en bodemgezondheid zit hem in diversiteit en afwisseling. Dit voeren we ver door met meerdere gewassen in 1 bed. Ieder jaar veranderen we waar we beginnen met planten. Dit jaar beginnen we bijvoorbeeld aan de linkerkant van de tuin. Volgend jaar beginnen we aan de rechterkant en het jaar daarna in het midden. Daardoor krijgen we veel diversiteit en afwisseling.

Dit is de hoofdlijn. Aangezien we wat minder op veel vragende gewassen letten, besteden we meer aandacht aan het verzorgen van de bodem (zie hoofdstuk 1).

6. Teeltplan

Met een teeltplan maken we een planning voor onze tuin voor het jaar. Voor het maken hiervan maken we veel gebruik van naslagwerken, zaadcatalogus, uiteraard het internet en gaan we in gesprek met andere tuinders.

Het teeltplan is ieder najaar weer een leuke puzzel om te maken. Welke vroege teelten gaan we proberen? welke zomerteelten gaan we doen? past er nog een nateelt achteraan? Je kan de puzzel zo groots en ingewikkeld maken als je zelf wilt, rekening houdend met wat voor jou het belangrijkste is. Veel groenten, welke groenten, speciale rassen, bloemen, groenbemesters, vruchtwisseling, etc.

Het doel is uiteindelijk een overzicht te krijgen van wat, waar, wanneer, hoelang de grond ingaat. Hiermee letten we ook op het verspreiden van de oogst over het jaar en het werk. Stel je voor dat je alles in de eerste week van mei moet planten en alles in augustus moet oogsten!

6.1 Vroege teelten

Met vroege teelten bedoelen we teelten die voor ijsheiligen (midden mei) de grond in gaan. Voor ijsheiligen is er nog kans op nachtvorst en dat is een risico. Het weer in het voorjaar kan grillig zijn. Het ene jaar is het een prachtig voorjaar, relatief warm, niet te nat, veel zonuren met geregeld een warme regenbui. Het volgende jaar is het verschrikkelijk. Weinig zon, koud, met nog late vorst en stevige hagelbuien. Met vroege teelten blijft het altijd een beetje gokken . Deze hebben qua teeltbescherming extra aandacht nodig.

6.2 Zomerteelten

Zomerteelten gaan er na ijsheiligen de grond in. Het risico op vorst en hagelschade is nihil. Het weer is over het algemeen stabieler. De bodem is lekker opgewarmd en het bodemleven is daarmee zeer actief geworden. Met een goede tijdige verzorging van de planten zijn de succeskansen hoog.

6.3 Na teelten

De nateelten proberen we nog achter de zomerteelten aan te plakken. Met de nateelten gaan we ook weer iets meer gokken. Net als in het voorjaar wordt het weer minder voorspelbaar. Een prachtig najaar kan een fantastische oogst geven tot en met december. Of het wordt bar en boos, met stevige herfststormen en koude regenbuien die de bodem snel doen afkoelen.

We beheersen het weer niet. We kunnen er alleen maar op anticiperen. Sommige planten gaan er later in dan gepland, andere weer eerder. Soms groeien planten heel snel en zijn vroeg klaar om te oogsten. Soms doen ze er gewoon langer over. Sommige teelten mislukken simpelweg en met andere hebben we weer een doorslaand succes.

Op papier kan het teeltplan prachtig zijn, een strakke planning. In de praktijk wordt er altijd wel in geschoven.

The best-laid plans of mice and men often go awry

-adapted from a line in “To a Mouse,” by Robert Burns-

6.4 Teeltplan maken

Keuzes, keuzes.

Met het maken van een teeltplan moeten we veel keuzes maken:

  • Welke groenten en rassen willen we?
  • Hoeveel willen we ervan?
  • Wanneer willen we het?
  • Hoeveel ruimte heeft het nodig?
  • Waar gaan we het planten?
  • Hoe zorgen we voor een gespreide oogst?
  • Hoe houden we rekening met de vruchtwisseling?
6.4.1 Groenten en ras keuze

Bladerend door naslagwerken en zaadcatalogi kom je er achter dat er tientallen soorten radijsen en rettichs zijn. Elk met verschillende eigenschappen, met verschillende smaken en kleuren. Sommige geschikt voor vroege teelt, sommige voor zomerteelt en weer anderen voor de nateelt. De keuze is reuze en elk jaar kan je weer nieuwe rassen uitproberen. Gewoon voor de leuk, uit nieuwsgierigheid. Sommige worden een succes en kan je het volgende jaar weer zaaien. Andere mislukken of zijn minder lekker. Er is nog heel veel om te proberen.

6.4.2 Uitval

10 kleine boskabouters liepen door het bos

We houden rekening met uitval. Niet elk slaplantje wordt een kropsla. Het ene kropje wordt door de slak opgegeten, een andere krop zijn we per ongeluk op gaan staan en een ander had er gewoon geen zin in?.Professionele telers houden daarom rekening met uitval. In het voorjaar en najaar iets meer dan in de zomer.

6.4.3 Groeitijd

Per plant staat er een gemiddelde groeitijd totdat het geoogst kan worden. Dit is natuurlijk weersafhankelijk (koud, nat, droog, warm, heet, bewolkt, grauw). In het voorjaar en najaar duren teelten daarom wat langer en in de zomer vaak wat korter.

voorbeeld:

Sla heeft in het voorjaar en najaar zo’n 10-12 weken nodig

in de zomer 8-10 weken totdat het klaar is om te oogsten

6.4.4 Plantafstand

Een plant heeft ruimte nodig om te wortelen en te groeien. Sommige gewassen zoals prei plant je voor de zomerteelt dichter op elkaar en met de nateelt geef je het wat meer ruimte. Op de zadenzakjes staat vaak de ideale plantafstand, maar je kan er mee spelen. Iets meer ruimte om grotere kroppen te krijgen. Iets minder kan ook. Dan blijven de kroppen wat kleiner. Met de plantafstand kan je gaan berekenen hoeveel ruimte je voor een teelt nodig hebt.

voorbeeld:

plant afstand van kropsla: 30cm*30cm er passen dus ongeveer 11 slaplanten op 1m²

6.4.5 Spreiden

Planten hebben een bepaalde groeitijd, hoe lang het duurt voordat ze klaar zijn om te oogsten. Als we in 1 week 100 sla planten planten, dan hebben we 10 weken later ongeveer 100 kroppen sla. Voor een professionele tuin is dat weinig. Voor de hobby tuinder is dat veel te veel. Daarom spreiden we de oogst door om de zoveel weken een paar sla planten te planten.

6.4.6 Plek

Afhankelijk van de manier van vruchtwisseling en/of werkwijze geeft je het een plek op je tuin. Soms kom je erachter dat de beoogde hoeveelheid planten niet op een plek past. Of dat je juist ruimte overhoudt, maar je niet nog meer sla wilt. Er zal altijd een beetje geschoven worden.

 

 7. Composteren

Er gaan een hoop verhalen over composteren rond en verschillende manieren om het te doen. Wormencompost (veel wormen die alles opeten en uitpoepen), bokashi compostering door vergisting (zuurstofloos, fermenteren) en aerobe compostering (met zuurstof). Aerobe compostering is de meest voorkomende en tevens de manier van composteren die we bij de Tuinders zullen toepassen.

Compost is goede manier om je bodemleven te voeden met organisch materiaal. Bij de Tuinders is het aanbrengen van compost de manier om de bodem te voeden en de vruchtbaarheid op peil te houden. Het proces van composteren is het verwerken van organisch ‘’afval’’ zoals plantenresten tot een voedingsrijk, stabiel product voor het bodemleven.

Goed composteren is best een kunst. Het is samenspel van (scheikundige) elementen en micro-organismen, met in de hoofdrol Stikstof, Koolstof en Zuurstof. Het is een proces waar (als het goed gaat) veel warmte bij vrijkomt, wat ziektekiemen en (onkruid) zaden neutraliseert.

Het ontbreken van kiemkrachtige zaden is een fijne eigenschap van goede compost. We willen immers niet dat we met het aanbrengen van compost ook gelijk onze tuin inzaaien met ongewenste planten.

Composteren is daarmee echt een heel ander proces dan in de natuur gebeurd. Het zou immers verschrikkelijk zijn als de natuur de zaden zou afbreken in de herfst. Composteren is dus echt weer een mensen ding, een cultuur ding, een techniek om van plantenresten een rijke, stabiele, bodemverbeteraar, zonder onkruid, klaar-voor-gebruik te maken. Perfect voor onze moestuin.

7.1 Hoe werkt composteren

Zoals eerder genoemd is composteren een samenspel van Stikstof, Koolstof, Zuurstof en micro-organismen, daarnaast speelt water nog een belangrijke rol. Zonder water, geen micro-organismen.

Bij het opzetten van een composthoop wordt vaak gesproken over groen en bruin materiaal.

  • Groen materiaal wordt gezien als stikstofrijk en vochtig materiaal.
  • Bruin materiaal wordt gezien als koolstofrijk en biedt veel structuur (creëert holtes met ruimte voor lucht)

Micro-organismen gebruiken koolstof en stikstof voor hun groei en voortplanting. Hierbij scheiden ze koolstofdioxide (co2) af. Dit is een gas en vervliegt in de lucht, hierdoor neemt het percentage koolstof in de compost af.

De micro organismen breken de complexe plantenweefsels af en de energie die daarbij vrijkomt kan er voor zorgen dat de temperatuur binnen in de composthoop flink kan oplopen. Naarmate de temperatuur oploopt gaat het afbreken van het organisch materiaal sneller, omdat meer en andere micro-organismen weer meer worden gestimuleerd.

Met dat er meer materiaal wordt afgebroken krimpt de composthoop en wordt deze steeds compacter. Hierdoor kan zuurstof steeds moeilijker naar binnen. De temperatuur piekt waarna de composthoop weer afkoelt.

Nu de composthoop weer afkoelt kunnen we hem omzetten. We mengen de composthoop opnieuw. De buitenrand gaat naar binnen en we brengen hiermee weer verse zuurstof in de composthoop. Micro-organismen kunnen weer beter aan de slag en de temperatuur loopt opnieuw op.

Uiteindelijk laten we de composthoop weer afkoelen. Wormen, insecten en spinachtige zullen zich nog een tijd door de compost eten. De chemische processen nemen af, de pH-waarde (zuurtegraad) stabiliseert en de compost wordt rustiger en stabiel. Het laten ‘’rusten’’ van de compost noemen we rijpen. Uiteindelijk houden we een compost over dat heerlijk ruikt naar bosgrond.

7.2 Composteren in de praktijk

Composteren is best wel een kunst. Door het te doen, ontwikkel je er (wederom) een gevoel voor. Net zoals oma een taart uit de losse pols bakt, staat een beginner te hannesen met een pak kant-en-klaar mix. Het verschil is dat oma door haar ervaring een gevoel heeft voor de verhoudingen. Door oog te hebben voor details (droog, nat, kruimelig, samenhang) bepaald ze of er nog wat extra van het een of ander bij moet.

Hieronder een aantal details om op te letten. Bij composteren letten we op verhoudingen, structuur en vochtigheid.

7.2.1 Verhoudingen

Bij het opzetten willen we een goede verhouding Koolstof/Stikstof (C/N). Ideaal is zo’n 30 delen koolstof op 1 deel stikstof. Nu is dit nogal moeilijk te meten. Hoeveel stikstof zit er in het tuinafval en hoeveel koolstof in het stro? Over het algemeen wordt er te weinig ‘’bruin’’ materiaal (koolstof) in composthopen gedaan bij moestuinen.

7.2.2 Structuur

Een berg vers gemaaid jong gras verteert snel en wordt een compacte massa waar moeilijk lucht in en door kan. Deze hoop zal zichzelf snel ‘’verstikken’. Een van de kenmerken is dat de composthoop kan gaan stinken. Het ontbreekt dan aan structuur, dat ruimte biedt aan zuurstof. Voeg vezelachtige materialen toe zoals, stro, (gehakselde) mais- en zonnebloemstengels, haagsnoeisel en houtsnippers. Denk bijvoorbeeld ook aan brandnetels en varens, etc.

7.2.3 Vochtigheid

Te nat, te droog. Wanneer is het nu goed?

We streven bij het opzetten naar een gemiddeld vochtgehalte van ongeveer 50%. We mengen natte (verse plantenresten) en droge (stro) materialen.

  • Te nat krijg je kans op verstikking en de composthoop warmt niet goed op.
  • Te droog en de vertering valt stil.

Om de vochtigheid te checken kan je een hand compost uit het midden nemen en er in hard in knijpen. Loopt het water eruit, dan is het te nat. Als je je hand weer open doet en het materiaal simpelweg uiteen valt, dan is het te droog. Komen er een paar druppels uit, dan is het goed.

7.2.4 Beschutting tegen het weer

De vochtigheid van de hoop is dus erg belangrijk. We gaan erop letten dat de composthoop niet zeiknat kan regen in een bui of juist helemaal kan uitdrogen door de zon en wind. Zet de composthoop daarom op een beschut plekje onder iets dat als dak kan fungeren.